Eigenlijk heb ik geen zin in kerst

Vierentwintig december, mijn hemel wat moet ik nog veel doen voor morgen. En ik ben al zo moe van alle voorbereidingen.

‘Mam, mag ik jouw zwarte pumps lenen?’
‘Mam, leg dat overhemd niet over mijn beeldscherm.’
‘Mam, Sofia komt zo. Je moet haar haren net zo doen als dat van mij.’

Twee dochters en een zoon maken zich klaar voor hun kerstgala op de middelbareschool. Of liever, dat doe ik. Zij videobellen zich een slag in de rondte over kleding, make-up en jongens. Of joinen via de server ‘Generals’ om de vrienden geheel volgens de kerstgedachte met liefde af te maken.
‘Schat, mijn ouders blijven toch slapen morgen.’
En een hard werkende echtgenoot aan de telefoon, die voor de gezelligheid zijn drie broers met hun gezinnen en zijn ouders bij ons uitnodigde voor kerst.

Eind november als de lampionnen door de straten zijn geweest en de Sintvreugde bijna zijn hoogtepunt bereikt, begint het bij mij te kriebelen. Ik wil die dozen van zolder halen. Dozen vol kerstballen en slingers. De in decennia oude kerstservetten verpakte ornamenten uit mijn jeugd, liggen gebroederlijk naast baby’s eerste kerstbal, plastic Disney prinsessen- en Carsballen en de meest waanzinnige danseresjes, brandweerauto’s en donuts. Onze kerstboom is een geschiedenis-stil-leven. Op het rendier na dan, die ‘jingle Bells’ zingt als je op zijn neus drukt. Ik houd ook van de lichtjes in de tuin, van het verzinnen van het kerstmenu en van het hopen op bergen sneeuw. Als de rest nog in de ban is van de dunne man in het rood, geniet ik van het vooruitzicht van die dikke met zijn gulle lach. Vijf heerlijke dagen waarin ik mij verheug op kerst.

Dan gebeurt het. Zes december, de chocoladeletters nog in de doos. ‘Mam, ik wil ragoutbakjes met kerst.’ ‘Nee, ik wil carpaccio.’ ‘Blèh, garnalencocktail is pas lekker.’ ‘Daar kan opa niet tegen.’ Zo gaat iedere gang en iedere maaltijd over vier schijven. Waaieren al die ingrediënten uit over vijf supermarkten die ik, als een stadsbus dienstregeling, aan doe met de fiets omdat manlief de auto nodig heeft voor het werk.

Dan heb ik het alleen nog maar over het eten. Kerstkaarten kocht ik bij het Kruidvat, net als de kerstzegels en Nivea-geschenksets voor de vrouwelijke gasten. Een plantenbakje en kerstboom voor mijn ouders bij het tuincentrum. ‘Ach lieverd, had je niet moeten doen. Maar nu je er toch bent. Wil jij de boodschappen doen? Hier is het lijstje.’ Tel daarbij op het helpen bij het kerstdiner voor bejaarden in het buurthuis, de knutselmiddag voor de buurtkinderen, kerstborrel op het werk, naar de kapper (met het hele gezin) en pindaslingers maken voor die arme vogeltjes in de kou.

‘Mam, wat doe je? Het stinkt naar verbrande kaas.’ Shit, ik heb piccolini’s in de oven. Alle drie nemen ze iets lekkers mee voor school. Dat wordt naar Appie Heijn voor een nieuw pak. Daarna moet ik het kerstbrood bakken, kersttriviantkaartjes printen en ons bed verschonen voor mijn logerende schoonouders. Ik kan wel janken.

Drie uur later stap ik doodmoe naar buiten en loop het wandelpad af richting het park. Heerlijk die vrieskou, alsof iemand een ice-pack tegen mijn oververhitte voorhoofd houdt. Mijn voeten stappen vanzelf de bekende weg. Langs de grote glijbaan, de eendenvijver, de kruidentuin en de brug naar het vogeleilandje. Deze route loop ik een paar keer per week, puur om mijn hoofd leeg te maken. Zal ik de brug over? Het is een touwbrug en het is donker. Gewoonte wint het van angst. Alsof ik een ei in mijn broek heb, schuifel ik voetje voor voetje over het wiebelende touw. Het is vreemd, maar het is veel minder donker op de brug dan ik verwachtte. Vooral naarmate ik de kant nader. Daalt straks het engelenkoor naar beneden? Maar dat slaat nergens op. Dit is een vogelbroedeiland. Opgekruid ijs knispert zachtjes tussen de ritselende rietstengels. De harsige geur van sparren dringt in mijn neus. Ik stap van de brug op de bevroren modder. In de verte, daar waar de ganzen vergaderen, schijnt een lichtje.

‘Doef, doef’ doet mijn hart in mijn keel. Toch loop ik door. Het licht lonkt. Geen gakkende ganzen of verschrikt snaterende eenden, zelfs geen overkomend vliegtuig. Het enige dat ik hoor zijn mijn bergschoenen op de harde grond. Vlak voor de open plek sta ik stil, haal diep adem en duw de takken opzij. Ik had van alles verwacht. Zwervers bij een kampvuur, wild-kamperende tieners, ganzenstropers. Maar dit? Voor mij staat een ladekast met de afmetingen van een flinke eengezinswoning. Vierentwintig vakjes tel ik waarvan drieëntwintig in donker zijn gehuld. Nummer vierentwintig verspreidt een zacht, gelig lichtje. Uitnodigend alsof het ‘open mij’ roept. Zal ik? Ik zet me schrap en trek met twee handen tegelijk aan de greep. Soepeltjes schuift de lade uit. Het is een bakje van een achtbaan. Als ik zit, klapt de veiligheidsstang voor mijn buik en schiet het karretje het licht in.

Ik zie mijzelf de haren doen van mijn dochters en hun vriendinnen, de stropdas van mijn zoon rechttrekken. Ik zie me mijn ouders de boodschappen overhandigen en hun kerstboom neerzetten. Ik schep tomatensoep op de borden van bejaarden. Voort raast het karretje terug in de tijd. Vakje twintig, twaalf, acht. Ik zie me ‘fijne kerst’ wensen aan de verkoopster van het Kruidvat, mijn man zijn foute kersttrui voor zijn kerstborrel overhandigen. Maar bovenal zie ik hun gezichten. Alsof de ster van Bethlehem hun emoties uitlicht. Ze lachen ingetogen of uitbundig. Ik zie rode wangen, lichtjes in ogen, ik zie zelfs een enkele traan. Waarom is mij dat nooit opgevallen?

Bij vakje vijf verandert de lichtval. In plaats van op de anderen is de spotlight nu op mij gericht. Ik zie dezelfde emoties op mijn eigen gelaat. De blijdschap, ontroering, verkneutering op het feest dat komen gaat. ‘Nee!’ dringt het tot mij door. Niet op het feest dat komen gaat. Niemand is bezig met eerste kerstdag behalve ik tussen dag zes en vierentwintig. Alleen ik loop als een kip zonder kop door te rennen. Alleen ik sta niet stil bij alle prachtige versieringen, lekker eten en blije mensen. Geen wonder dat kerst voor mij altijd tegenvalt. Waar de rest de hele maand december feest viert, moet ik doodmoe genieten van één dag vol torenhoge verwachtingen. Ik ben degene die zijn hele leven besteedt aan de planning van zijn sterfdag om er op die dag achter te komen dat ik vergat te leven.

‘Woesh’ mijn hoofd klapt naar links als het karretje een scherpe draai maakt en terugschiet naar vakje vierentwintig. Het is er behaaglijk warm ondanks dat het openstaat. Een groot fluffy rendier blaast zijn warme adem in mijn nek. Zijn ruwe tong likt de tranen van mijn gezicht. Hij heeft gelijk, het is nog niet te laat. Weg met die tranen. Dat bed kunnen mijn schoonouders zelf doen. En koken? Vele handen maken licht werk. Het is tijd dat ik ga genieten van de reis, samen met de mensen die ik lief heb. Ik stap op de rug van het rendier. Het zachte schommelen en zijn warme vacht maken mij heerlijk doezelig. Ik zie wel waar hij mij heenbrengt. Voor het eerst in drie weken razen er geen to-do-lists door mijn hoofd.

Een natte neus port in mijn gezicht. Slim dier, ik ben thuis. De lichtjes van de buitenlampjes in de vijg twinkelen een warm welkom. Achter de ramen zie ik mijn man druk in de weer met pureestamper en melk. Boerenkool, mijn lievelingskostje. Op de tafel branden kaarsen en onder de boom ligt een heel regiment aan pakjes die ik daar niet neerlegde. ‘Pling’ een gekke galafoto van mijn kids. Hun vingers tot hartjes gevormd. ‘Dankjewel lieve mam voor al je hulp.’ Ik lach en veeg tegelijk de nattigheid van mijn gezicht. Sneeuw. In het schijnsel van de lichtjes dwarrelen dikke vlokken naar beneden. Na twintig jaar een witte kerst. ‘Schat’ roep ik naar binnen. ‘Laat dat eten maar. Het sneeuwt!’

Waar ben je tegenwoordig nog veilig?

Dat is de vraag als je zo bekend bent.

Het is niet meer te doen.

Zit ik lekker in het zonnetje te soezen, klik klik klik, gaan die rot camera’s weer. Ik kwam hier wonen voor een beetje rust. Zen worden in de natuur. Een prachtig uitgestrekt recreatiegebied met een groot meer. Nog net één geschikte woning voor mij vrij. Na het megasucces van al die films, was ik daar wel aan toe. Deel één tot en met acht, knuffeltjes, boeken, sweaters en nog veel meer waar mijn face opstaat. Overal herkennen ze mij. Zelfs hier hebben ze me gevonden. Zo’n groepje (ze lopen nooit alleen) spotters. Ze vallen niet alleen mij lastig, hoor. Ze doen dat ook bij de buren. Ik snap het wel. Je komt ons niet bij de supermarkt tegen. Jammer dat die mensen zo opdringerig zijn. Er is een tijd van aandacht en een tijd van rust, dat snappen ze niet.

Ze kijken de hele tijd naar me op. Verwachten van mij de antwoorden op hun levensvragen. ‘Hij is zo wijs’ hoor ik dan. Yeah right. Eigenwijs keer ik ze mijn rug toe in de hoop dat ze weggaan. Toch blijven ze staan, wijzen naar me. Ik voel me zo exposed. Zelfs op de bovenste verdieping van mijn huis weten ze me te vinden met hun verrekijkers. Daar bestaan wetten voor maar die gelden niet voor mij. Het ergste is nog dat ‘oehoe’ geroep als ik doe of ze er niet zijn.

Weet je? Ik ben het zat. Ik wijzig mijn adres.

Voor contact verwijs ik u naar mijn beste vriend: Dhr. H. Potter

 

blog fiktieverhalen

Klaas of Claus?: Sint en Santa in Expeditie Robinson

Ook in Expeditie Robinson 2019 laait de discussie hoog op. Wordt het Sinterklaas of de Kerstman? En wat is de rol van Tim Coronel?

Onze zondagavond

Onze zondagavond staat drie maanden per jaar in het teken van Expeditie Robinson. Plannetjes, plotjes en spannende proeven verslinden wij alsof we (manlief, kind 1 en 2 en ik) zelf meespelen. Team Noord, team Zuid? Ieder zijn eigen voorkeur. Maar ons aller lieveling is coureur Tim Coronel. Groot was ons verdriet toen hij uit het spel verdween. Weggestemd door de altijd konkelende Fienfamilie. Achter de schermen bleek de zaak heel anders in elkaar te steken. Het had te maken met twee bijzondere deelnemers.

Kamp-Zuid-Europa

‘Vinden jullie het hier leuk dan?’ klinkt bij het avond kampvuur de zeurderige stem, van als Frank van der Lende vermomde Sinterklaas. ‘Ik mis mijn villa, mijn zwembad, mijn pietenfamilie.’ De andere teamleden weten het al. Na een proef is Frank-Klaas niet te genieten. ‘En dat eten dan? Kokosnoten, kokosnoten. Kotsnoten zijn het. Ik wil pepernoten.’ ‘Zeurpiet’ valt Eva Cleven uit. ‘Je moet eens wat taaier worden jij.’ ‘O, taai taai’ Frank-Klaas kijkt nog zieliger ‘Dat mis ik ook.’ Eva kan zich niet meer inhouden ‘Zorg nu eerst maar eens dat je meedoet met een proef. Hoezo sta je aan de kant te wachten?’ ‘Ik ben al tweehonderd jaar’ roept Frank-Klaas verongelijkt. Zijn PipiLangkous-staartjes hangen verdrietig naar beneden. Bij Eva komt de stoom inmiddels uit haar oren. ‘Een beetje pijn is fijn.’ ‘Marsepein’ Frank-Klaas barst in tranen uit. ‘Zien jullie hoe dun ik ben? Mijn mantel zwabbert om me heen.’
Sint en Santa in expeditie robinson

Met een collectieve zucht, die het kampvuur doet flikkeren, draaien de teamleden zich om. Altijd gezeur en gemopper en zelf iets doen, ho maar. Maar het ergste, echt het aller aller vervelendste, is iedere ochtend de as uit de schoenen kloppen die de oude zeur bij gebrek aan een schoorsteen bij het kampvuur zette.

Ondertussen in Kamp-Noord-Pool

‘Jaap, houdt je kop. Wij proberen te slapen.’ Van pure frustratie propt Hugo Kennis zijn vuist in zijn mond. Santa Claus, alias Jaap van Deurzen, is niet te stuiten met zijn ‘Midden in de winternacht’. De hele dag heeft hij van die zelfbedachte kerstliedjes paraat. Van ‘Rudolph the white teeth Reindeer’ voor Thomas Berge met zijn blinkende gebit tot ‘Jungle balls’ voor de rauw geschuurde edele delen van de vriend met het (A)kwasie verwonderde gezicht. En dan de hele dag dat ge-elf. Fien (met haar 1.58 m) trok het niet meer en liep over naar kamp Zuid. Niemand vindt zijn grapjes leuk, behalve de man met de dikke buik zelf. Dat is het grootste raadsel van Kamp-Noord-Pool. Waar de andere expeditieleden inmiddels zo dun zijn als zuurstokken, met dank aan Rob Geus die het eten in zee smeet. Wil die enorme buik van Jaap-Claus maar niet slinken. ‘Gasvormige obstipatie’  volgens Jaap-Claus. Gevolgd door een luidkeels ‘De herdertjes schijten bij na-a-ach-teeee.’
Sint en Santa in expeditie robinson

Nergens anders dan in Expeditie Robinson komt de mens in zijn pure vorm naar boven. Ontdaan van alle opsmuk blijken zowel Sint als Santa hun langste tijd te hebben gehad.

Dan volgt de samensmeltingsproef.

Presentatrice Nicolette Kluijver: ‘Het is nagelbijtend spannend. Nog 1 plekje aan de dinertafel. Welke krasse knar is het eerst boven? Klaas of Claus? Ongelofelijk, ze halen precies tegelijk de samensmelting.’
Kai Gorgels (presentator): ‘Uhhh, wacht effe. Waarom worden ze kleiner? Kijk nou, ze smelten samen. Ze zijn samen gesmólten! Nou, lekker dan. Wie brengt nu de pakjes rond in december?’

Blog fiktieverhalen Sint en Santa in expeditie robinson

’Dat wil ik wel doen’ merkt Tim op. Onze coureur met de altijd aanwezige pretlichtjes in zijn ogen, staat te trappelen van ongeduld. ‘Die Dakar rally is ook niet gratis. Zelfs niet met Eru als sponsor. Sinds Allsecur met ons nokte, kan ik wel wat extra centen gebruiken.’

‘En nu wegwezen’ moppert Kai ‘ik wil mijn cadeautjes op tijd hebben.’ En zo werd Tim eind november uit de expeditie gestemd om aan zijn nieuwe job te beginnen.

Zie ginds komt STimter Claus

Zie ginds komt de Dakcar uit Holland weer aan.
Hij brengt ons Tim Coronel, ik zie hem al gaan.
Hij rijdt in zijn buggy met Tom in het rond
en strooien met smeerkaas als sneeuw op de grond.

De guppen die lachen, want ook zij zijn blij.
Geen middeleeuws kostuum meer of elfenkledij.
Zij mogen zichzelf zijn, de monteurs van STimt.
En sleutelen aan buggy’s, zodat hij kous of schoentje vindt.

Nou, Doei!!!

Blog fiktieverhalen Sint en Santa in expeditie robinson

Vrouw des huizes en een gelukkige!

Ik houd van de kinderen maar meer tijd voor mijzelf is zó zálig!

Oh, wat zalig in de zon. Ik heb de beste baan ter wereld. Sommigen werken op een boerderij, anderen in fabrieken. Maar ik? Ik ben de vrouw des huizes en een gelukkige! Vooral nu de kinderen groot worden heb ik steeds meer tijd voor mijzelf. Dat is niet alleen heerlijk maar ook onontbeerlijk omdat mijn jaren gaan tellen en alles meer energie kost dan vroeger.

Dus geniet ik nu van het warme lentezonnetje. Heerlijk ontspannen op mijn rug op de warme tegels in de tuin. Wijdbeens omdat de warmte daar zo weldadig aanvoelt. Ik hoor ze wel, die buren maar doe net of ik ze niet zie. Ik draai mij om en om van links naar rechts. Soezend, kroelend bijna spinnend koester ik mij in de strelende zon.

Volkomen zen in het nu. Even niet beducht op lompe kindervoeten, verplicht op schoot en aaien tegen de richting in. Als ik nu eens achter die enorme hortensia ga liggen, misschien, heel misschien…

Miauw, te laat! Ik hoor de Duracell-stemmetjes al dichterbij komen. Geeuwend sta ik op. Stretch voor en achterpoten en loop met opgeheven staart naar de poort. Klaar voor mijn eerste middag-taak. De ‘hoe-was-het-op-school?’ begroeting.

blog fiktieverhalen huisvrouw

 

Familie?

Kerst vieren bij je Italiaanse schoonfamilie. Is dat nu echt gezellig?

‘Natuurlijk heeft zij een mooi figuurtje. Zij heeft geen kinderen gebaard,’ aldus haar schoonzus tegen de echtgenoot. Dit begint goed, ze is nog geen drie minuten binnen of haar Italiaanse schoonfamilie moet haar alweer hebben. Ze kijkt naar haar man die bijna wordt doodgedrukt in de armen van zijn madre terwijl de rest van de familie er kwetterend omheen staat.

Doodmoe is ze. Moe van de reis, van de afgelopen tijd en van de zeurderige pijn onder in haar buik. Het laatste tastbare bewijs van het hoopje leven dat langzaam uit haar wegvloeit. Ze loopt naar de wc, weg van alle volwassenen en die opgewonden kinderstemmetjes.

‘Hahaha, de plakkers zitten verkeerd’ schoonzus twee, met tomatensaus op haar wang en peterselie in het haar, neemt de half ontblote dreumes van haar over. ‘Ga moeder maar helpen tomaten zeven.’ Mama’s ogen slaan terstond richting hemel. ‘Nee, ga afwassen. Jij bent niet gewend voor een heel gezin te koken.’

Zo gaat het altijd, zelfs met kerst. Een beetje steun had ze dit keer verwacht, een beetje troost misschien. Maar nee, alle sympathie gaat uit naar haar man die het ongeluk had met haar te trouwen. Wat zou er gebeuren als ze nu de deur uitloopt? Zouden ze haar missen of juist opgelucht ademhalen?

Hier, zelfs op het uiterste puntje van Italië , snijdt de koude in haar ziel. Ze moet naar het strand. De donkerte, de stilte, het stoïcijns doorrollen van de golven. Een omgeving zonder oordeel, zonder eisen. Ontvangen door er alleen maar te zijn.

Met elke stap wordt het rustiger in haar hoofd. Vreemd, de avond is minder zwart dan anders. Er straalt een soort blauwe gloed van de zee. Een troostend licht dat haar met open armen naderbij wenkt. Waarom ook niet? De zee neemt, de zee geeft. Net als dat bootje in de golven, zacht wiegend als de lichtjes in de dikke spar bij haar oma thuis.

Het is leeg op een klein mandje na. Dekentjes strak om een lijfje gewikkeld, gitzwarte starende ogen en lipjes die zacht trillen. Waar moet ze heen op dit Godvergeten eiland? Ze kijkt naar het kleine kind in haar armen en slaat beschermend haar jas om hem heen. Er zit maar één ding op. ‘Jij blijft bij mij’ fluistert ze.

Verwijt maakt plaats voor verbijstering. Lijven dringen zich aan haar op, één en al handen die proberen het kind over te nemen. Zachtjes begint de baby te huilen, een gejammer dat alleen haar bereikt door de chaos van stemmen heen. ‘Ssssttt, stil maar.’ En resoluut doorbreekt ze de cirkel van bazige bemoeizucht. De familie met een koud kerstdiner achterlatend.

Tevreden valt het kleintje tegen haar aan in slaap. Dichtbij, warm, levend. Een mensje dat haar voor één nacht een heel gezin laat zijn.

Dit verhaal heb ik vorig jaar geschreven voor een schrijfwedstrijd van Schrijven Online. Het haalde de longlist. 

Operatie Koen

Koen heeft een operatie gehad, maar of dat nu de oplossing is?

‘Tjee, Koen. Wat zie jij er slecht uit. Eén en al lellen en vellen.

Nou, nou Dán. Je hebt mij nooit een veer in de reet gestoken maar dit doet echt pijn.

Sorry, maar werkelijk watskeburt? Vroeger was je zo lekker bol en rond.

Zeg maar gerust dik. Veel te dik. Ik dacht als dit zo doorgaat haal ik de kerst niet eens.

Nou, ik weet niet of dit een verbetering is. Ik vind het maar ongezellig ook. Vroeger klokte je alles naar binnen. Je pikte zelfs het eten van míjn bord.

Ik vind het ook niet leuk dat ik maar twee hapjes per keer kan eten. Twaalf keer per dag. Ik blijf bezig.

Kerel, ik krijg er kippenvel van. Gelukkig heb ík het niet nodig. Hij pronkt met zijn prachtig geproportioneerde achterwerk waarbij Koens armzalig verlepte billenpartij in het niet valt. 
En nu dan? Zo blijft het toch niet?

Het vel van Koens ex-onderkin flapt om zijn oren als hij zijn hoofd schudt. De 24e ga ik onder het mes. Vroeger sneden ze al het overtollige weg. Maar daar lusten de honden geen brood van. Tegenwoordig doen ze iets met opbinden.

Je laat toch niet iets aan je lijf doen als je niet weet wat?

Alsof jij alles weet.

Ik weet, dat ik dit jaar ben uitgeroepen tot lekkerste bink van het land.

Acht wat, typische vleeskeuring. Het gaat ook om de inhoud.

Die is bij jou dan behoorlijk geslonken. Zo val je niet in de smaak bij de chickies, als je dat maar weet.

Dat overleef ik wel, als ik maar gezond ben.

Ajuus, ik zie daar een paar dames die mijn weelderige lijf willen bewonderen. Hoor je ze praten? “Die nemen we, daar hebben we met zijn tienen zeker genoeg aan!” Gegroet.

‘Pap’ zegt de jongen ‘waarom hebben we zo’n dunne dit jaar?’
‘Dit was de enige overgebleven’ antwoord de vader. ‘Ik heb het overtollige weggesneden en de rest lekker strak opgebonden tot een rollade. Met een flinke hoeveelheid vulling erbij, moet het genoeg zijn voor ons tweetjes.’

Tot hoe lang kunnen oudjes mee?

Ik weet dat het moment van afscheid nemen nadert. Het gaat niet meer. Maar wanneer laat ik mijn oudjes opnemen?

Het is pijnlijk, heel erg pijnlijk die laatste keer met mijn oudjes. Zo veel jaren waren ze er voor mij. Sleepten mij door storm en regen en jubelden van blijdschap bij zonneschijn. Nu is het op. Afgesleten, de veerkracht is eruit. 

Competentie is verschoven naar incontinentie. Vroeger werden ze alleen nat bij een flinke plas, tegenwoordig zijn ze al kledder bij kleine buitjes. Die aftakeling van dichtbij meemaken vind ik moeilijk. ‘Waarheen leidt de weg die wij moeten gaan?’ zong Mieke Telkamp vroeger. Wat maakt dat uit, zolang het maar geen lijdensweg is.

Het ergste zijn die gaten in de bovenkamer waardoor het de omgeving steeds meer opvalt dat de oudjes op zijn. Krijg ik op straat meewarige blikken toegeworpen; ‘het is toch wat.’ Het is vreselijk om te zeggen, maar ik schaam me voor mijn oudjes.

Het moment om dank te zeggen en afscheid te nemen is aangebroken. Ik laat ze met zijn tweetjes opnemen, een hecht paar haal ik niet uit elkaar. Ik stop ze samen in een gesloten inrichting in het rusthuis voor oude stappers, onder in mijn kast. Totdat ik gewend ben aan mijn nieuwe trimschoenen

En dit beslis ik!

Waarom ik deze reis alleen maak? Geloof me, dat zou jij ook doen als je mij was.

‘Boem’ de deur van het wachtlokaal knalt tegen de muur. Drie oudjes en een jonge vrouw kijken acuut op.

‘Hermán’ zegt de taart vlak achter me. Ik voel hoe ze verontschuldigend naar de anderen glimlacht. Ze geeft me een zetje in mijn rug. Met drie passen ben ik bij het bankje. Godzijdank zit er niemand op, mensen kijken altijd zo benauwd als ik naast ze kom zitten.

Alweer buiten adem laat ik mijn tas van mijn schouder vallen. Het kleine rugzakje met daarin de fles houd ik om. ‘Herman, voorzichtig. Straks is de tas stuk.’ ‘Nou én? Zolang hoeft het niet meer mee te gaan.’ Stijf staat taart naast me.

Ik hoor de oudjes keuvelen over kleinkinderen op universiteiten waarvan de één nog beter presteert dan de ander. De jonge vrouw staart voor zich uit naar het spoor.

‘Herman, waar moet je overstappen?’ Potverdorie, wat denkt ze nou? Gisteravond heb ik de hele rimram opgezocht en uitgeprint. Zij stond nota bene achter me. Ik grijp in mijn broekzak. Waar zijn die verd… papieren. ‘Hier’ en ik geeft de door haarzelf opgevouwen A-viertjes.

‘Lees het even voor, Herman.’
‘Waarom?’ zeg ik. ‘Jij wilt het toch weten?’
‘Maar jij moet in de gaten houden waar je eruit moet.’
Altijd weer dat bedekte checken. En nóg is ze niet klaar. ‘Vanochtend vroeg ik anders of jij je kaart bij je had en dat was maar goed ook.’
Ik haat het wanneer ze gelijk heeft.

‘In Haarlem moet je naar spoor zes voor Den Haag en dan nog een klein stukje met tram vierentwintig naar de Eisenhowerlaan.’
Is het de spanning of is er zo weinig zuurstof in dit bedompte hok? Gelukkig ben ik erop voorbereid.

Taart kijkt mij aan. ‘Is je snorretje niet te lang? Red je het wel? Zal ik toch maar meegaan?’ Ze frutselt in mijn rugzakje. Terstond knappen nog meer van mijn longblaasjes;  dat mens is als een kind met bubbeltjesfolie.
‘Over mijn lijk’ breng ik uit. ‘Ik stuur wel een kaartje.’ De jonge vrouw verbijt een lachje. Een schril contrast met de strakke lippen van mijn taart.

Lichten en een donderend geluid kondigen de trein aan. De jonge vrouw houdt de deur voor mij open, wat taart de kans geeft zich over mijn arm en weekendtas te ontfermen. Ik krijg de neiging haar uit de trein te duwen maar Godenzijdank, stapt taart terug op het perron.

‘Doe het op dinsdag’ roept ze. ‘Na vier dagen is het weekend, perfect voor iedereen die wil komen en…’ Fúúúúút, het sluitsignaal overstemt haar snerpende keelgeluid.

‘Zal ik u helpen?’ de jonge vrouw kijkt mij lachend aan. ‘Ik moet ook naar de Eisenhowerlaan. Ik werk daar.’

Op dinsdag valt er een kaartje in de bus:

ansichtkaart levenseindekliniek blog fiktieverhalen.nl ik beslis

‘Die Eigenwijs!’ taart laat haar handen in verbijstering zakken ‘hij heeft die kaart op zóndag geschreven.’

Kort Verhaal: “Ik hoor je niet”

“Ik kan je niet horen.” Al weken die drukte om ons heen. Hoe zorgen we ervoor dat we weer dichter tot elkaar komen?

Ik hoor je niet

“Wat zeg je? Ik hoor je niet.”

Ome Jan ratelt aan mijn linkerkant tegen tante Truus over zijn Fiatje die nog puik rondtuft.

2 Meter verderop zitten al mijn neefjes en nichtjes rond de verjaardagstaart waarop 4 kaarsjes branden. In alle toonhoogten klinkt het “happy birthday” met daar dwars doorheen “Je hebt ze al uitgeblazen, dat mag niet” en “Jij zit met je handen aan mijn taart.” “Nietus.” “Wellus, ik zie het toch!” en een nichtje prikt met haar vinger in het gezicht van een neefje.
Dé aanleiding voor een vechtpartij boven het gebak. De slagroom vliegt in het rond en mijn zus met overslaande stem probeert, geholpen door mijn zwager, de vechtjassen te bedaren.

“Hoe moet ik je zo horen? Kunnen ze verdorie niet eens hun kop houden?”

Het gaat al weken zo, tijd voor een rustig gesprek is er niet. Al die afspraken, al dat moeten. Wij moet ook maar dat heeft de laagste prioriteit lijkt wel. Stilte hebben we nodig om elkaar te kunnen verstaan maar het is zo moeilijk om die rust te claimen.

Jij bent mijn zon, mijn ziel, de zin van mijn bestaan. Jij maakt dat ik leef.

Laten we samen even weggaan. Weg uit deze gekte en nader tot elkaar komen zoals dat heet. Onze relatie nieuw leven inblazen. Het is er nog, dat weet ik zeker. Zoveel als wij samen hebben meegemaakt, dat schept een band die niet zomaar wordt weggemoffeld.

Wat dacht je van een huisje aan de rand van een bos. Buiten geselt de regen de houten luiken voor de ramen. De storm giert in de schoorsteen. Binnen zitten jij en ik samen onder een wollen deken op de love seat voor de open haard. Pot thee en een schaaltje bonbons binnen handbereik. Het enige licht komt van de waxinepitjes onder het theelichtje. Jou heb ik in mijn schoot. Ik houd je vast, streel je. Ik luister. Dan zet ik je op papier en begin.

190557-ecom-retina-01.png.adapt.500.500

Ik hoor je.